Coming out

Robert Witte blogt over zijn reis als bewust anti-racist.

Gisteravond had ik mijn derde coming out. De eerste was twaalf jaar geleden, toen ik er net achter was gekomen dat ik op vrouwen viel. Iedereen in mijn omgeving vertelde ik het persoonlijk, zodat ik de reactie kon peilen. Hoewel ik elke keer bang was voor afwijzing, voelde ik ook een soort trots: dit ben ik. Zeven jaar later stuurde ik, hop, naar mijn hele adressenbestand een mail waarin ik vertelde dat ik geen vrouw was. Uiteraard was ik bang voor de reacties maar de nood was zo hoog dat het me eigenlijk ook niet zo veel uitmaakte. Als mensen me gestoord vonden, prima, beter gestoord dan dood. En ook die keer voelde ik een soort trots, was er een besef van eigenwaarde. Mijn coming out gisteravond was een geheel andere ervaring. Na het zien van de film I am not your negro ben ik in een theater midden in de Bijlmer, in een zaal vol met zwarte mensen opgestaan en heb gezegd: ‘Ik ben Robert. Ik ben nog maar pas wakker.’ Het voelde alsof ik voor het eerst bij een AA-bijeenkomst was en zei: ‘Ik ben Robert. Ik ben alcoholist.’

Het grote verschil is dat je bij de AA in een groep bent waar iedereen alcoholist is en ik voor een groep mensen stond die er allemaal last van hebben gehad dat ik 45 jaar lang heb zitten slapen. Gelukkig begon de zaal te lachen en dat maakte het makkelijker om verder te praten. Wat ik precies heb gezegd weet ik niet meer. Glenn Helberg vatte het later zo samen: ‘He stood up en nam verantwoordelijkheid voor hen die het witte privilege hebben, dat zij echt een onderdeel zijn van de oplossing.’ Ik denk inderdaad dat ik dat gedaan heb. Ik voelde geen trots en het gaf me ook geen goed gevoel over mezelf, ik voelde vooral dat ik tot dat moment altijd onderdeel was geweest van het probleem.

’s Middags in de tuin bij Sylvana Simons hadden we gesproken over ‘witte helpers’ en over de discussie in de zwarte gemeenschap of witte mensen wel of niet mogen helpen in de strijd tegen racisme. Vannacht, toen ik mijn hoofd rustig probeerde te krijgen, realiseerde ik me dat ik zwarte mensen helemaal niet kán helpen. Waar het racisme betreft ben ik als witte man namelijk degene die hulp nodig heeft: ik heb een enorme kennisachterstand. Zwarte mensen staan allang bij de finish terwijl ik nog maar net de startstreep heb verlaten. Binnen BIJ1 word ik geholpen, aangemoedigd: ‘Kom op Robert, je bent op de goede weg…, beetje naar die kant…, au, ja dat doet pijn, geeft niet…, ho, niet te snel…, ja, dat is een lastige hindernis, probeer toch maar…, ja, je bent er bijna.’ Natuurlijk ben ik er nog lang niet, maar ze zijn zo aardig om me dat niet te vertellen, zodat ik volhoud.

Wat mijn partijgenoten doen is ontzettend lief. Ze hoeven me namelijk helemaal niet te helpen, mijn kennisachterstand is mijn probleem en niet hun probleem. Racisme is dus, zo zie ik nu, helemaal niet het probleem van zwarte mensen, het is het probleem van witte mensen. Witte mensen hebben zichzelf blind gemaakt en witten mensen moeten er zelf voor zorgen dat ze weer gaan zien. Zo simpel is het. Zwarte mensen zien allang hoe de wereld in elkaar zit, die hoeven helemaal niets te doen. Wij witte mensen moeten onszelf gaan ontwikkelen en andere witte mensen helpen om zich te ontwikkelen, dat is de enige manier om een einde te maken aan racisme. Als er zwarte mensen zijn die ons daarbij de weg willen wijzen en aanmoedigen, dan is dat fijn en kunnen we er dankbaar gebruik van maken. Maar als ze denken ‘ruimen jullie maar lekker zelf je eigen shit op’ dan geef ik ze groot gelijk.

Robert Witte

BIJ1-kleurenbalk