Een gemeleerd gezelschap

Amsterdam, 2016, de opening van een transbar. Op het terras zitten oudere, witte transvrouwen om een tafel met flesjes bier en glazen wijn. Binnen wordt het beeld gedomineerd door grote zwarte transvrouwen op hoge hakken, stuk voor stuk vrouwelijker dan ik ooit ben geweest. Langs de kant, homo’s in skinny broeken met opvallende shirts. Ik loop naar de bar voor een glas cola en kijk even vertederd naar een groepje transjongens dat daar staat te praten. De meeste staan ineengedoken om hun borsten te verbergen, bij een enkeling groeit er al een vlassig snorretje op de bovenlip. In een gewoontegebaar voel ik aan mijn hippe baardje, het zit er echt.

Robert Witte, in reactie op de diversiteitsquota discussie in DWDD van maandag 27 februari 2017

Op zoek naar bekende gezichten kijk ik de bar rond. Niemand. Ik neem een slok van mijn cola en kijk nog een keer rond. Onder de arm van een grote transvrouw door zie ik een kleine witte man staan. Net als ik draagt hij een wit overhemd en een blauw jasje. Hij kijkt me aan en ik zie in zijn blik de opluchting die ik ook voel: hoera, een soortgenoot. Als vanzelfsprekend lopen we op elkaar af, maken een praatje en wisselen visitekaartjes uit. Na zijn vertrek strijk ik nog even neer aan het tafeltje bij de oudere transvrouwen maar zit al snel zonder gesprekstof. Bij thuiskomst vraagt mijn vrouw hoe het was. ‘Het was een gemêleerd gezelschap,’ zeg ik. ‘Ik heb een aardige vent gesproken, heb hem meteen op Facebook toegevoegd. Misschien hebben we nog eens wat aan elkaar, je weet maar nooit.’

"Ik zie in zijn blik de opluchting die ik ook voel: hoera, een soortgenoot."

Valt er iets aan te merken op mijn gedrag van die avond? Niet echt, denk ik. Ik heb een drankje gedronken, een praatje gemaakt, niemand lastig gevallen. Ik heb geen zwarte transvrouwen gesproken, ook geen hippe homo’s of transjochies, maar hee, waarom zou ik? Soort zoekt soort, dat is gewoon hoe het gaat en dat heeft niets met discriminatie te maken.

Maar stelt u zich nu eens voor dat ik een ICT-bedrijfje heb en een medewerker zoek. Er komen vier mensen op gesprek, allemaal met een veelbelovend CV. De eerste is een zwarte transvrouw, vrouwelijker dan ik ooit ben geweest. Ze is zo groot dat zelfs als we allebei zitten ik nog naar haar moet opkijken. De tweede is een witte man in een skinny broek en een opvallend shirt. Het is verbazingwekkend hoe hij het woord ‘Hallo’ kan uitspreken. Na hem komt er een transjongen binnen met een blond vlassnorretje op zijn bovenlip. Hij zit ineengedoken tegenover me en tijdens het gesprek schiet zijn stem van hoog naar laag en weer terug. Als laatste zie ik een witte man van mijn leeftijd. Hij draagt een donkerblauw pak en een wit overhemd, zijn stem is sonoor en alleen aan zijn kleine handen kun je zien dat hij ooit vrouw is geweest. ’s Avonds zal mijn vrouw vragen hoe de sollicitanten waren. ‘Het was een gemêleerd gezelschap,’ zeg ik dan, ‘en er zat een heel geschikte tussen.’

U mag drie keer raden wie en de vraag beantwoorden: valt er iets aan te merken op mijn keuze? Nee, toch? Die laatste man was duidelijk het meest geschikt, dat heeft niets met discriminatie te maken. Toch?Robert Witte is schrijver, redacteur stond op nummer 12 van onze kandidatenlijst voor de verkiezingen van 2017.

BIJ1-kleurenbalk