Het nieuwe feminisme van Simone van Saarloos

Vrouw-zijn is niet vanzelfsprekend: er gaat een voortdurend zoeken, proberen en definiëren aan vooraf, stelt Simone van Saarloos (1990).

‘Simone wil een jongetje zijn.’ Het staat er echt, in de rapporten van de kinderpsycholoog waar ik ooit naartoe moest omdat ik geen zin had in school.

Zo weinig zin zelfs dat ik hoofdpijn veinsde. Dat vroeg om een analyse. Een analyse die vooral op mijn uiterlijk – hanenkam, legerbroek, wijd T-shirt – moest zijn gebaseerd, want ik weet zeker dat ik op tienjarige leeftijd nooit wenste een jongetje te worden. Ik bad ’s avonds laat achter mijn slaapkamerraam wel stiekem naar de maan in de hoop op een grootse verandering, maar dat ging nimmer over mijn geslacht. Ik bad dat ik met mijn favoriete gothic artiest Marilyn Manson op tournee mocht, dat ik een personage was in een avonturenboek en mee mocht in het malle ding van bobbistiek, ik bad dat ik de winnende goal scoorde op het landelijk ijshockeytoernooi. O ijshockey, dát moet de psycholoog hebben overtuigd. Een stick, een puck en een kut, dat kan natuurlijk niet.

Het was pas toen mij duidelijk werd gemaakt dat ik niet overtuigend een meisje was, dat ikzelf doorkreeg dat mijn geslacht ook onderdeel moest zijn van mijn identiteit. Voorheen deed mijn geslacht er weinig toe. Het was er, het werkte, ik had het al wel eens bekeken met een spiegeltje, en dankzij het gemengd douchen met mijn ijshockeyteam wist ik dat het daar beneden ook anders kon, maar het interesseerde me niets zolang ik maar in bomen kon klimmen en vuurtjes kon stoken.

Pas toen ik borsten kreeg, gaf ik me gewonnen: mijn wijde Marilyn Manson-shirt werd ingeruild voor een strak zittend stretch-truitje waarop de uitgerekte kop van een Sex Pistols-skelet stond. Mijn knalrode hanenkam groeide uit tot een volle bos blond.

Doorzetten, durven, doen

‘Mevrouw?’ Als ik in de rij sta en er moet iemand langs, weet ik dat ik gelukt ben. Als ik naar de tijdschriften vraag en ik word voorbij de natuur-, literatuur- en opiniebladen naar de glossy’s verwezen, weet ik dat ik gelukt ben. Als ik op straat loop en er wordt ‘Hé schatje’ geroepen of er wordt gefloten, of het hoofd wordt gebogen om tussen mijn langsfietsende benen te kunnen kijken en vervolgens wordt er omgedraaid om ook van achter zicht te krijgen, dan weet ik dat ik honderd procent gelukt ben.

Het is de bevestiging van mijn vrouwelijkheid waarvan ik nog altijd niet zeker ben hoe ik die verworven heb. Van mijn diploma’s, prijzenlintjes of salarisstrookjes weet ik dat wel: hard werken, doorzetten, durven, doen. In tegenstelling tot de bevestiging van mijn vrouwelijkheid – waarbij ik mij gekeurd voel, als ware ik een voltooid product omdat er borsten en billen aan zitten – zijn deze verworvenheden mij volledig eigen. Dat is natuurlijk niet zo, ook deze norm van hard werken ontstaat uit een collectief idee van succes, maar waar mijn verworvenheden maakbaar en veranderlijk lijken, kan ik mijn sekse niet ontkennen of bedekken.

Na de komst van de borsten en billen, ontdekte ik dat er meer was dan Marilyn Manson. Ik leerde Ani DiFranco kennen, een folkzangeres uit Amerika. Zij zong: ‘Ik ben geen dame in nood / en ik hoef niet gered… Ik ben geen katje, vast in een boom’ en ‘Ik ben geen boos meisje / maar telkens wanneer ik iets zeg wat niet leuk is om te horen / zetten ze mij weg als woedend / en negeren hun angst.’ Later kwamen nog Erykah Badu (fel van zich afslaand in ‘Tyrone’ en schijnbaar helemaal oké met zichzelf), India Arie (‘My mama said a lady ain’t what she wears but what she knows’) en de poëzie van Maya Angelou. Haar gedicht ‘Phenomenal woman’ staat nog steeds in grillig handschrift op de muur van mijn oude tienerkamer geschreven.

Het was ook het gedicht dat ik voordroeg na mijn reis naar India met de ontwikkelingsorganisatie Edukans, waar ik meisjes ontmoette die niet hadden mogen leven, als het aan de mannen (en vrouwen) in het dorp had gelegen. Een moeder schoof haar dochter naar voren en liet me met hangend hoofd een hand met ongepelde rijstkorrels zien. ‘Hier hebben we haar zusjes mee vermoord.’ Een baby die rijstkorrels met het scherpe vliesje er nog om doorslikt, scheurt van binnen open.

Bij de maaltijden ’s avonds met de Edukans-groep, werd gebeden. Omdat ik nooit in God heb geloofd en de maan me al lang niet meer bijstond, dreunde ik binnensmonds ‘Phenomenal woman’ op.

I say , / It’s the fire in my eyes, / And the flash of my teeth, / The swing in my waist, / And the joy in my feet. / I’m a woman / Phenomenally.

Phenomenal woman, / That’s me.

Is het werkelijk beter om wijdbeens te zitten?

Natuurlijk vochten de soulzangeressen uit het zuiden van Amerika en de Indiase moeders en meisjes een andere strijd dan ik: blank, welvarend en ontevreden. Maar hun krachtige stemmen, hun woede en moed wakkerden het besef aan dat geslaagd vrouw-zijn niet vanzelfsprekend is: er gaat een voortdurend zoeken, proberen en definiëren aan vooraf. I’m a woman. Phenomenal woman, That’s me.

Zeurderig prinsesje

Tot zover mijn verhaal. De eenenvijftigste tint naar aanleiding van de vraag die publicisten Lisa Appignanesi, Rachel Holmes en Susie Orbach aan vijftig Engelse (en enkele Amerikaanse) vrouwen stelden: wie of wat inspireert jou en wat betekent het voor jou om een vrouw te zijn? De bundel mikt niet op een algemene of intellectuele definitie van feminisme – het gevreesde en uitgekotste ‘F-word’ – maar vraagt om persoonlijke ervaringen, waarmee het cliché ‘het persoonlijke is politiek’ aan actualiteit wint.

Voor wie het nog een keer wil horen bevat Fifty Shades of Feminism ook de bekende cijfers en statistieken. Toch zijn het niet zozeer de feiten die feminisme noodzakelijk maken. Met statistieken overtuigen we, in Nederland althans, iedereen. Subtiel seksisme en sluimerende, alledaagse genderstereotypen (in stand gehouden door glossy’s of goedbedoelende ouders) die aan dergelijke cijfers voorafgaan, zijn lastiger bloot te leggen en aan te pakken. Het vormt een impopulair probleem met moeilijk grijpbare, zich vertakkende wortels, maar de schijnbaar onschuldige associaties bij wat we mannelijk en vrouwelijk noemen, construeren onze identiteit meer dan wij erkennen. Wie daar op wijst is al gauw een verwend en zeurderig prinsesje. Liever zien we onszelf als autonome, zelfscheppende individuen.

Die gevierde persoonlijke vrijheid en zelfontplooiing hebben geleid tot een mozaïek aan ideeën over het goede en zinvolle leven. Dat maakbaarheidsidee is bevrijdend, maar ook verdomde verwarrend. Want wanneer identiteit een constructie is en er geen handleiding bestaat die voor iedereen geldt, welke vorm en invulling kies ik dan? Juist in die chaos van mogelijkheden verlangen we houvast om te bepalen wie we zijn. Niet door ons in te zetten voor iets groters dan wijzelf, een leider, groep of een hoger doel dat ons kan misleiden, maar door terug te grijpen op dat wat objectief en algemeen lijkt: cijfers en biologie.

Tijdens het spitsuur

Dick Swaab en zijn naturalistisch determinisme bieden een oplossing. Karakter is nog voor de geboorte gevormd en de tinten van onze persoonlijkheid staan in neuronen geschreven. Gemakkelijker nog: meisjes houden weer gewoon van lief roze en jongens van stoer blauw; dat is hun natuur. En wat natuurlijk is, staat vast. Heel overzichtelijk en bovendien een goed excuus: ik ben nu eenmaal zus en zo, want dat bepaalt mijn hoofd. Wij zijn ons brein, stelt Swaab. Bullshit, zegt Simone: ik ben mijn borsten, ik ben mijn blonde haar. Niet omdat die wezenlijker zijn dan mijn neuronen, maar omdat ik mij daarmee in de wereld bevind. Wij mensen beïnvloeden elkaar in een interactief spel. De blikken, woorden en gedragingen die we uitwisselen, vormen wie we zijn. Wij zijn allemaal lichamen in de wereld, nog voor we als brein of geest communiceren.

Vandaar dat de zogenaamd verwende welvaartsstrijd van feministen tegen schoonheidsidealen (plastische chirurgie is toch heel iets anders dan besnijdenis?!) niet zo oppervlakkig en banaal is als het oogt. Want de fenomenologie van ons lichaam bepaalt ook onze geest. We internaliseren onze gedragingen: wie geslagen wordt, krimpt geestelijk ineen. Maar het kan ook minder extreem. In de trein, tijdens het spitsuur: mannen zitten meestal wijdbeens, ook wanneer er weinig plek is. Vrouwen zijn in principe net zo vrij om breeduit te gaan zitten. Er zijn in Nederland geen wetten die dat tegenhouden. Het probleem is dat ik me er niet gemakkelijk bij voel: mijn lichaam heeft vrouwelijke discretie geïntegreerd en is daar zo op toegespitst, dat anders doen me onwennig maakt. Ach! Wat zeur ik, want is het werkelijk beter om wijdbeens te zitten? Zit dat veel lekkerder of heeft God het als goed bestempeld? Nee. Maar de waarden die aan onze lichaamstaal kleven staan wel degelijk ongezien geschreven: ruimte innemen, laten zien dat je er bent, dat vinden we sterk en machtig. Wie haar benen moet sluiten en plaatsmaakt voor haar onverschrokken medepassagier, wordt ook geestelijk bescheiden.

Ani DiFranco (foto: Patti Perret)
Ani DiFranco (foto: Patti Perret)

Moeten we dan juist met gespreide benen (‘Now Open’) voor American Apparel poseren? Er is geen goed of fout. Wel is het mogelijk een wereld te wensen waarin we minder gericht zijn op de man-vrouwverdeling die nu als vanzelfsprekend bestaat. Logisch vinden we het, dat marketeers als eerste vaststellen voor welke sekse een product is bedoeld. Logisch, want sekse is nu eenmaal het eerste wat je ziet. En het zou inderdaad belachelijk zijn om onze geslachtsdelen te ontkennen, maar dat wij het man-vrouwonderscheid zo belangrijk vinden, zegt meer over onze focus en blik, dan over onze hormonen.

Op de beste school

We zullen nooit in een neutrale wereld leven, wel altijd in een veranderlijke. Mijn feminisme gaat dan ook niet over slachtoffers versus heersers, maar over de bewustwording van het normenspel waarin we verkeren. Wie dat zeuren noemt, heeft het vooruitgangsgeloof opgegeven.

We leven in een wereld vol verschil, en dus is er maar één mogelijkheid voor het feminisme, wil het verketterde f-woord met hernieuwde kracht floreren: het omarmen van diversiteit. Want vrouwen vormen de helft van de wereldbevolking, ze lijken minder op elkaar dan stereotypen en biologische verklaringen ons doen geloven.

Appignanesi, Holmes en Orbach hebben die diversiteit erkend en in ere gehouden door vijftig compleet verschillende tinten te bundelen. Maar die veelheid aan standpunten en ervaringen kan verlammend werken: hoe kan een beweging iets teweegbrengen zonder eenduidige boodschap? Dat was immers ook de uitdaging van de Occupy-beweging.

Grote verhalen en overkoepelende ideologieën passen niet bij de moderne verscheidenheid van culturen en individuen. Volgens mij kent idealisme in de eenentwintigste eeuw geen andere toekomst dan een door persoonlijke ervaring gevoede vechtlust. Nu het postmodernisme alle waarheden heeft ontmanteld en machthebbers vatbaar bleken voor menselijk falen, kan alleen persoonlijke verbinding oprechte inzet genereren.

Timberlake Wertenbaker (rechts) (foto: Richard Young/ HH)

Het belang dat de vrouwen in Fifty Shades of Feminism toeschrijven aan de kleine schakels in hun leven – de moeder die haar kroost koste wat het kost op de beste school wil krijgen, de dichtregel die een jonge vrouw het nodige zelfvertrouwen geeft – is veelzeggend. Globalisering is prachtig, maar het betekent niets zolang je niet gericht bent op de bewerking van wat nabij is.

Nu we gewend zijn onze persoonlijkheid centraal te stellen, bekwaam zijn in netwerken, en emoties leidend achten, zijn we klaargestoomd om het persoonlijke weer werkelijk politiek te maken en is het f-woord klaar om wederom uit te vliegen – soms wat ongeleid, zoekend of fladderend – tot een herboren feminisme.

Emancipatie bestaat niet alleen uit het leven naar een bestaande norm, maar vooral uit de durf tot anders-denken. De vraag of de Nederlandse vrouw zich moet aanpassen aan de eis van fulltime werken, is niet per se handig nu de werkloosheid zo groeit. Misschien willen we wel naar een economie waarin de meesten parttime werken. Dan is iedereen financieel even (on)afhankelijk, hoeft niemand zich nog schuldig te voelen jegens kinderen of overheid, is Jet Bussemaker blij én hebben we meer tijd en handen voor de verzorging van onze ouders – staatssecretaris Martin van Rijn ook blij.

Heen en weer

Ik was een jaar of zes, in de zaal rook het naar het rubber van de mat. Zo’n dertig kinderen keken naar een grote meneer in judopak, een zwarte band strak om zijn boomstammiddel. Terwijl ik druk was met het knopen van mijn witte band met groene slip, werden er tweetallen gevormd. Ik bleef over, samen met één jongetje. Hij schudde zijn hoofd: ‘Ik wil niet met een meisje.’ Maar het moest van de kolossale leraar. Hup, arm tegen de borst, de ander onderlangs tussen nek en mat, volle gewicht erop, knie in zijn rib. Hij worstelde, maar kwam niet los. Toen de oefening werd afgefloten, bleef hij liggen en huilde: ‘Ik wil nooit meer met een meisje.’

Zijn tranen gaven mij een geweldig gevoel, maar met het winnen van gevechten creëren we uiteindelijk alleen maar verliezers.

Toneelschrijfster Timberlake Wertenbaker stelt in Fifty Shades of Feminism iets vruchtbaarders voor. Ze herinnert zich een natuurfilm over pinguïns waarin een mannetje en een vrouwtje een ‘enorm ei, een toekomstige pinguïn, misschien gewoon de toekomst zelf, steeds aan elkaar geven, heen en weer’. Zo houden ze het ei warm en in beweging. ‘Penguinism as the new feminism’, stelt Wertenbaker voor. Laat het een streven zijn: phenomenal penguins, samen verantwoordelijk voor het ei.

BIJ1-kleurenbalk